De dame en het licht

de-dame-en-het-licht

Ineens de kriebels. Ik moet naar Vlaanderen. Wederom. Het is zondagochtend, lekker rustig op de weg. Via Roosendaal en de A58 langs de Brabantse wal. Een onmiskenbare verandering, deze glooiing in het landschap. De snelweg loopt hier flauw naar beneden. Scherp links, richting de grenslijn met België. Deze route naar het achterland van Antwerpen voelt puur. Het is lang geleden vast en zeker een belangrijke route voor handelsreizigers geweest. De snelweg heet hier nu Zoomweg-Zuid. Dat dan weer wel. Ach, namen zeggen soms alles, soms niets. Kijk naar rechts, en je ontwaart iets van het oude land, zo tussen Zeeland en Noord-Brabant. Plotseling de grens, andere borden, andere gebruiken van een weg. Het is nog stiller. Een enkele auto. Je dendert hier het havengebied van Antwerpen in. Immens, mooi in haar lelijkheid, stinkend ook. En altijd wat te doen voor de wegenbouwers, zo lijkt het. Het is mijn vaste route naar het Vlaamse land. Zit als het ware in de kop geramd. De autopilot aan. Even verder wordt hard gewerkt aan een complex van sluizen. Beton, wegafzettingen, omleidingen en een land dat nog meer onooglijk is. En toch pakt het mij. Ergens begin deze eeuw belande ik bewust in deze contreien. Gelukkig maar. Inmiddels hou ik van deze streek. Omdat ik weet wat er is te vinden. Aan de randen van twee landen. Wat er aan oorden nog niet is aangetast. Voor zolang het duurt. Buurtschappen zijn weg, dorpen staan op het punt van verdwijnen. Slechts wegbenamingen herinneren aan weleer. En de verhalen van de mensen die er vandaan komen. Het land van Beveren, Kieldrecht, Nieuw-Namen, Emmadorp, Kleine Kreek, Prosper. Ik ga op bezoek bij een dame. Ondanks leeftijd nog even jeugdig. Als, tja als wat? Haar ogen spreken boekdelen. Zij kent de streek als geen ander. Kan er betoverend over vertellen. En is een van de laatste bewoonsters van een dorp in het gebied. Het weerzien is hartelijk. Als altijd. Bos bloemen onder mijn arm. Een herfstboeket dit keer. En een boek. Mag het niet doen van haar, toch gaat dit elke keer mis. Aan de keukentafel komt er eerst een ‘filterke’, dat is koffie op z’n Vlaams. En nog een. Aansluitend een Trappist. Want dat hoort. En de verhalen. Elke keer weer. En meer. Ik luister vooral. Geniet intens. Als het daglicht zowat achter de horizon verdwijnt loop ik nog even langs de enige kroeg in het oord. Mooi weerzien van fijne mensen. Het is tijd om op café te gaan. Maar het boerenland roept. Het beroert, maakt mij melancholiek. Ik rij het dorp uit, kruising rechtdoor. Lange rechte wegen, de typische telegraafpalen erlangs op. De zon is zojuist onder gegaan, en laat een hevig vurend zwerk achter. Ontgoocheld stuur ik de wagen de berm in. Het land heet hier Saftingen. Afgelopen week is er geoogst. Dat kun je zien. De wegen liggen namelijk vol met bagger. Een enkele suikerbiet heeft het niet gered. De akkers inmiddels gladgestreken, in ruste, voor een volgend seizoen. Toch? De tijd zal het leren. Na deze kleurrijke zonsondergang maak ik in de donkerte van de jonge avond nog een serie beelden in de verstilde Hedwige polder. Na achten gaat het huiswaarts. Traag maar voldaan. Mijn honger naar landschap is gestild. Voor even. Gelukkig is die dame uit Charlois, Melanie de Biasio, mijn aangename reisgenoot. Voorwaar geen straf.