Omarmend

Het is maandagavond, rond de klok van tien uur. Ik heb een niet te stuiten behoefte aan vertoeven in een kleine kroeg. Ergens in Amsterdam, buiten de gebaande paden. De entree is er een waarbij je een zwaar gordijn passeert bij binnenkomst. Stil tafeltje ergens uit de loop, maar wel met zicht naar buiten. De regen tikt zacht tegen de ruiten van het café. Waarop in sierlijke letters de Franse naam van het etablissement staat geschreven. Eronder het telefoonnummer. Een naam en een nummer, meer is niet nodig. Ik neem plaats en bestel, kies een stoel die mij uitzicht geeft over de straat en gracht. De klinkers glimmen door het verse hemelwater, subtiel beschenen door het licht van de lantaarns. Het pand zit op een hoek. Mijn uitzicht is daardoor groots. Alsof de weidsheid van de stad besloten ligt in de omarming van haar zijn. Er speelt een muzikant. Zachte tonen, fijnzinnige melodie, onmiskenbaar jazz. Op tafel strooit een kaars voorzichtig met schijnsel. Het glas plaatselijk gebrouwen donker bier is halfvol. Meer een bokaal eigenlijk. En voorzien van een rond papieren servet om de voet van het glazen kunstwerk. Toonbeeld van gastvrijheid. Het licht binnen in de zaak is van een prettige sterkte. Gedempt, op de tonen van de liefde. De stemmen van de mensen zijn dat ook. Mijn ogen dwalen over de kade. Gedachten zijn ver weg. Plotseling valt mijn oog op een vrouw, fietsend. Eerder zwierig dan doelgericht op pad. Haar zwarte jurkje zit slordig, en toch als gegoten. Het korte leren jasje ranke schouders nauwelijks verhullend. Gitzwart haar, bevochtigd door de zacht nevelige regen. Een vuurrode sjaal verlengt het beeld. Haar tempo zorgt voor een snellere nabijheid dan wenselijk. En weg is zij, helaas. Een serene deken van onverwachte alledaagsheid valt over een zoekende ziel. De avond is jong en nog beloftevol.

Amsterdam, 17 september 2018.