Noem het geluk

noem-het-geluk

Het Vuile Gat in het Haringvliet, pal onder de Hoekse Waard, doet haar naam eer aan. De motorpont St. Anthonius trotseert een stevige wind en dito golven. Maar de aanhouder wint. De haven van Tiengemeten, een eiland pal voor Nieuwendijk. Oud agrarisch gebied, nu door Natuurmonumenten omgetoverd in grotendeels natuur. De Westhoek is zelfs ruig. De slagboom gaat open, mijn drie medereizigers zijn rap verdwenen. Een bankje naast de steiger lonkt. Een moment het eiland binnen laten komen. Zacht kabbelend water, sereen. Alle haast is eruit. Ineens. Er valt een aangename stilte over mij heen. De wegen zijn hier vooral paden, hebben geen namen. Het gehucht is onder de eilanders bekend als Groote Haven. De dubbele ‘o’ in de naam is overigens juist. Slecht enkele huizen, wat schuren, een boerderij. Dit deel van het eiland heet Weelde. Geen idee waarom. Misschien omdat het veer nabij is, de aanvoer direct en de grond goed genoeg voor landbouw? Eenmaal in de weidsheid grijpt de wind mij weer. De dikke leren jas is hier geen overbodige luxe. En dat eind april. Het steenkruid bloeit al uitbundig. Alsof de natuur de lente verplicht te komen. Vandaag niet. Het pad voert mij in Zuidelijke richting. Verstilling wint het van de gure wind. Het raakt mij. Ik sta stil en neem het landschap in mij op. Het voedt gedachten. Verder maar weer. In de verte loopt een man. Fiets aan de hand. Licht voorover gebogen. Schuilend in de kraag van zijn dikke wollen jekker. Zo’n atypische scheepsjas. Onmiskenbaar. De wind giert inmiddels tomeloos. De man onverstoorbaar. Als hij langs loopt groet hij. Licht grommend, maar gemeend. Zijn band is plat. Hij komt vanuit de Oosthoek. Dit gedeelte heet Weemoed. Toepasselijker kan het niet. Na een uur bereik ik de herberg. Verder kan niet, het eiland houd hier abrupt op. Het stormt inmiddels. De kachel en de hond van de waard zijn hartverwarmend. Evenals de borrel. Terug naar het veer voert de tocht over de Noorddijk. Ik passeer een oude ruïne, nog uit de tijd dat het eiland werd gebruikt om de naar Rotterdam onderweg zijnde gelukzoekers in quarantaine te zetten. Flink doorstappen, ander mis ik de laatste boot. Toch nog te vroeg terug. Het wachthok biedt soelaas. Na 10 minuten vaart de schipper het veer binnen. Ik ben de enige passagier. Een korte knik als begroeting. De wind is inmiddels aangezwollen tot stormkracht. Deert niets. Ik blijf aan dek. Wil het voelen tot in mijn haarvaten. Ik noem dit geluk.